Casus: Het landboek van het Laatschap van Kachtem (1725)

In 1725 geven de baljuw, burgemeester en schepen van het Laatschap van Kachtem opdracht – op basis van een oktrooi van de Raad van Vlaanderen – tot het opmaken van een terrier ofte lantbouck [van het Laatschap] in canten ende aboutten met specificatie van ider partije, neffens de quarte figuratijve, wesende dhofsteden, boomgaerden, landen, meersch, bosch ende coyweeden. Er wordt daarvoor beroep gedaan op Ledegemnaar Gregorius Berghman, beëdigde landmeter van Stad en Roede van Menen, vrij landmeter van Ieper Ambacht en van het Ambacht van Roeselare. Berghman start zijn werk op 23 april 1725 en beëindigd het op 3 september 1725, en heeft het als titel Metijnckbouck vanden Laetschepe van Cachtem onder de Roede van Meenen, vernieuwd door Gregorius Berghman, gheeeden lantmeter der voorseijde roede van Meenen ende der Casselrije van Ipre breeder soo hier naer volgt krijgt. Uit de titel blijken niet enkel een aantal tegenstrijdigheden, maar ook dat het om een vernieuwing gaat op basis van een ouder landboek, waarvan noch de datum noch de maker worden vermeld.

Merkwaardig is bijvoorbeeld dat Berghman zich op het titelblad beëdigd landmeter van de kasselrij Ieper noemt, terwijl hij op de eerste binnenpagina ‘vrij landmeter’ van Ieper Ambacht wordt. Verder blijkt ook dat de Stad en Roede van Menen als enige binnen de kasselrij Kortrijk haar eigen landmeter(s) aanstelt en dat ondanks het vrij agressieve optreden van de gezworen landmeters van de kasselrij wanneer die hun rechten zien aangetast (zij dat dit voornamelijk in de 17de eeuw gebeurd).

Het landboek beschrijft niet het volledige grondgebied van de parochie Kachtem en past dan ook niet in de 18de eeuw snel groeiende rij van parochiale landboeken. Het is in een verzorgd voorbeeld van een landboek van een heerlijkheid op het moment dat deze registers van grondlasten op de terugweg zijn.

Vooraan in het landboek is een pagina toegevoegd waarop wordt vermeld dat B. De Hulster, beëdigd landmeter van de Stad en Kasselrij Ieper op verzoek van enkele bestuurders van de parochie Roeselare voor de oostkant van de parochie een nieuwe kaart maakt. Klaarblijkelijk kadert dit in een geschil tussen het Laatschap en de Stad Roeselare, gezien daaronder wordt toegevoegd dat in 1762 dezelfde landmeter verklaart dat de eerder opgemeten en in kaart gebrachte percelen wel degelijk bij Roeselare horen, en niet Berghman, maar hijzelf dus een fout maakte.

Het landboek beschrijft 250 percelen, goed voor in totaal 93 bunder 244 roeden. Eén perceel, nummer 251, de Paelwulghen, met een oppervlakte van 752 roeden, wordt later aan het landboek toegevoegd. Het bevat zes kaarten, vier grote en twee kleintjes, waarop telkens slechts een vijftal geïsoleerde percelen worden afgebeeld.

DSCN3006

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s