Het erfachtig landmeterschap in de kasselrij Kortrijk

Landmeters konden ook tijdens het Ancien Régime niet zomaar aan de slag. Ze moesten een bewijs van bekwaamheid voorleggen aan de hogere overheid. In de Spaanse Nederlanden was dat de Geheime Raad, die vanaf 1593 tot haar eerste afschaffing in 1702 roije of koninklijke landmeters aanstelde. Maar ook lagere overheden, zoals graafschappen en hertogdommen konden landmeters admitteren (toelaten) en later registreerden ook kasselrijen landmeters en prijzers, die dan gewoonlijk een eed van kunde aflegden. Zo verplichtte de kasselrij Kortrijk vanaf 1704 (wellicht niet helemaal toevallig na het wegvallen van de registratie door de Geheime Raad) landmeter en priojzers-deelslieden zich te registreren bij het hoofdcollege van de kasselrij. Gebruikelijk legden koninklijke landmeters een examen af bij twee oudere en ervaren beroepsgenoten en doorliepen ze een leertijd bij een andere ervaren vakgenoot. In veel gevallen was die laatste hun vader. Die praktijk werd door de lagere besturen gevolgd.

In de kasselrij Kortrijk bestond daarnaast een bijzondere gewoonte. De vrije lant maete van de casselrije van Corteryck maakte er namelijk deel uit van het verder onbelangrijke leen Lerberchboom in Kortrijk-buiten en Marke. De baljuw van deze heerlijkheid mocht 60 ponden parisis opleggen aan alle de gone die hemlieden sullen vervoorderen te metene ofte te overslaene eenighe gronden van erfven gheleghen binnen der voorseide stede ende alle de Casselrije van Cortrijck. Dit leen kwam in 1616 in handen van Lowys de Bersacques, zoon van Pieter, die zelf ook de titel van gheswoeren landmetere der stede ende casselrie van Cortericke gebruikte, evenwel zonder de heerlijkheid te bezitten. Na Lowys’ dood in 1646 erfde zijn oudste zoon Eduard de Bersacques het leen en de titel van erfachtig landmeter. Het blijft echter onzeker of hij het landmetersberoep ook daadwerkelijk uitoefende, gezien hij vroeg overleed (in 1651) en er geen kaarten van zijn hand bekend zijn. Zijn stiefbroer Lowys II de Bersacques (1625-1695) erfde het leen en het erfachtig landmeterschap, wat een bijzondere situatie creërde gezien de man een geestelijke was (en later deken van het OLV-kapittel te Kortrijk werd). Zijn broers Albert I (1632-1718) en Joseph (1636-1708) zullen het landmetersberoep effectief uitoefenen, terwijl hun oudere broer hun rechten beschermde. Via Albert I zal het erfachtig landmeterschap bij diens zoon Albert II de Bersacques (1678-1730) terechtkomen, waarna het voor de familie verloren ging, gezien hij kinderloos bleef en (wellicht) ook geen neven had. Ook deze laatste telg van het geslacht De Bersacques oefende het landmetersberoep niet uit, maar liet zijn rechten op het erfachtig landmeterschap in de kasselrij Kortrijk wel meermaals gelden in de rechtbank. Of althans, hij poogde dat, al slaagde hij daar na zijn verhuis naar Gent nog zelden in. De praktijk had inmiddels de onpraktische en inefficiënte gewoonte om het landmetersberoep via een erfelijk recht te beschermen achterhaald.

Het blijft uiteraard merkwaardig vast te stellen dat in de kasselrij Kortrijk (en ook in de baronnie Ingelmunster) het ladmeterschap verbonden was met een erfelijk leen. Met als gevolg dat de leenbezitter een recht kon uitoefenen zonder enige praktische kennis terzake. Al leidt het ongetwijfeld geen twijfel dat de familie De Bersacques het erfachtig landmeterschap in de kasselrij voor ruim honderd jaar in hun bezit kon houden door het erfachtig leen steeds handig te combineren met goed opgeleide broers-landmeters.

AA361410: Manuscripts

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s