Wie zoekt die vindt

Het klassieke landboek is een register van alle percelen in een bepaalde geografische entiteit. In geval dit een private eigenaar is, zoals een abdij of een rijke grootgrondbezitter, betreft dit uiteraard enkel haar of zijn bezittingen. In geval het een prochie (wereldlijke parochie) of dorp betreft – wat ons in het bijzonder interesseert – wordt het volledige grondgebied van die parochie opgemeten en opgeschreven, de spreekwoordelijke uitzondering niet te nagesproken.

In het register worden de percelen genoteerd per nummer. Vaak wordt de prochie opgedeeld in kantons, wijken of gemeten, de latere kadastrale secties. Per sectie worden de percelen in een bepaalde volgorde genoteerd, vaak in tegenwijzerzin, al is dat afhankelijk van de soms bijzondere vorm van de secties. In zo’n register vind je dan (vrij) snel een bepaald perceel terug, zeker wanneer er een kaart bij werd gemaakt. Minder makkelijk is om een bepaalde eigenaar of pachter terug te vinden. Die laatsten worden niet steeds vermeld. Eigenaars worden soms in het vet in de kantlijn vermeld. In enkele gevallen worden nieuwe eigenaars ook vermeld: de oude eigenaar wordt dan geschrapt in de tekst (of kantlijn) en de nieuwe er onder of boven genoteerd.

Er zijn uiteraard uitzonderingen, zoals bij het landboek van Tiegem, waar in twee afzonderlijke registers zowel een index (tabel) van eigenaren als van percelen wordt genoteerd.

Maar in de meeste gevallen is de vorser die op zoek gaat naar een overzicht van eigenaars of pachters afhankelijk van de vrijwilliger die het register heeft overgetikt in een excel-sheet of een word-document. Gelukkig zijn er veel heemkundige kringen en heemkundigen die van de voordelen van een dergelijke ontsluiting overtuigd zijn.

Advertenties

Verborgen grenzen

Landmeter Valerianus de Veughel, afkomstig uit Bissegem, meet in de zomer van 1781, geholpen door sergent Jacques Staels en griffier Leonard Vuylsteke en baljuw, burgemeester en schepenen, de prochie Dottignies in het graafschap Vlaanderen op. Hij zal zijn werk echter pas op 14 juli 1790 afleveren.

Het landboek van Dottignies-Vlaams draagt met de titel Terrier du village de Dottignies en Flandre, chastellenie de Courtray, contenant les grandeurs, tenants et abouts modernes de même que les noms des propriétarires respectifs des fermes, censes, lieumasnoirs, verges, jardins, bois et prairies dudit village conforme à l’arpente de ce fait en mesure de Courtray par le soussigné Valerianus de Veughel, arpenteur et priseur juré de la dite châtellenie de Courtray, résidant à Belleghem.

De relatief onbekende De Veughel was niet de eerste landmeter die de opdracht tot het opmeten van Dottignies had gekregen. Al in 1761, volgend op de decreten van 1753 en 1755, was landmeter Jean-Baptiste Holvoet aanzocht om het dorp op te meten. Om ons onbekende redenen vertrouwt de wet van Dottignies en het hoofdcollege van de kasselrij Kortrijk de opdracht vijftien jaar later toe aan De Veughel in 1776. Zelf zal hem dat dan nog eens zoveel jaren kosten voor hij een resultaat kan neerleggen dat voor alle betrokkenen aanvaardbaar is.

Dottignies is dat ook een bijzonder geval. Delen van de prochie vielen namelijk onder het Doornikse, andere onder het graafschap Vlaanderen (en deze laatste konden dan nog administratief onder de kasselrij Kortrijk of de kasselrij Rijssel vallen). Pas met de overeenkomsten van 16 mei 1769 en 18 november 1779 werd de grens tussen het koninkrijk Frankrijk (Rijsselse) en de Oostenrijkse Nederlanden (het Doornikse en het graafschap Vlaanderen) vastgelegd. Tot 1769 lag er een Franse enclave in Dottignies: ze werd daarna Oostenrijks en meteen ook geïntegreerd in het Doornikse. De noodzaak om zich te beperken tot het grondgebied dat van het graafschap Vlaanderen afhing dwong landmeter De Veughel en griffier Vuylsteke exacte ligging van de grens tussen Vlaanderen en het Doornikse te onderzoeken (inclusief de ligging van het oude gebied dat afhankelijk van Rijssel was). Dat maakt het de geïnteresseerde onderzoeker ook mogelijk om – zonder al te veel hindernissen – de hele grens uit te tekenen. Alle 1.273 beschrijvingen in landboek – uitgetekend op zeven kaarten – komen overeen met een stuk grond in het deel van de prochie Dottignies die tot Vlaanderen behoort.

Dottignies.png(uit: Claude Depauw, Des plan manuscrits d’avant 1790 ce que n’a pas dit le catalogue, in: Mémoires de la société d’histoire de Mouscron et de la région, XV/1993, p.9-36)

Brugge in oude kaarten

Steden zijn wellicht het vaakst in kaarten afgebeeld. Stadskaarten hadden een ander doel dat pre-kadastrale kaarten en goederenregisters (zoels landboeken), maar zijn daarom niet minder interessant. Voor de stadsgeschiedenis zijn ze zelfs onontbeerlijk. Ze kunnen de onderzoeker vertellen hoe een stad groeide en kromp en hoe het uitzicht van de stad door de eeuwen heen veranderde.

Het historisch geoloket Kaart en Huis Brugge brengt gegevens van het vroegere Huizenonderzoek Brugge, een initiatief van Erfgoedcel Brugge, het stadsarchief Brugge, het Bruggemuseum, Raakvlak en de Dienst Monumentenzorg en Erfgoedzaken samen.

Het geoloket is volgestouwd met historische data, gekoppeld aan de actuele situaties en oude kaarten zoals de kaart (uit 1562) van Marcus Gerards gecombineerd met informatie over de stedelijke ruimte tijdens de middeleeuwen.

Je kan er tientallen andere historische kaarten van Brugge en omliggende gemeentes met elkaar vergelijken, rustig snuffelen tussen de middeleeuwse straten en pleinen, of meer informatie opzoeken over de geschiedenis van Brugse huizen en hun omgeving. Er zijn gegevens aanwezig van uit de registers van de Zestendelen (registers met prekadastrale gegevens uit de middeleeuwen) of het oud kadaster van de stad. De historische kaarten zijn afkomstig uit verschillende eeuwen en zijn te vinden op de website van Kaart en Huis.

Brugge.stadsplan_17de_eeuw

(met dank aan de vlog http://www.cultuurinbeeld.be)

De twee landboeken van Gullegem

Een aandachtig onderzoeker heeft wellicht al opgemerkt dat van sommige prochies twee landboeken zijn gemaakt. Ik heb het hier niet over de kopieën van landboeken die naar het kasselrijbestuur diende gestuurd of over eventuele hernieuwingen van oudere landboeken. Van enkele prochies is de opmeting van het grondgebied echter verdeeld over twee landboeken, die niet noodzakelijk in hetzelfde jaar zijn opgemaakt. Het gaat hier om prochies die in twee of meer kasselrijen liggen, zoals Waregem of Heestert. Er wordt dan gesproken over Heestert-Kortrijks of Heestert-Oudenaards. In bijzondere gevallen, zoals bij Spierre, is er zelfs een verdeling over twee koninkrijken in Spierre-Frans en Spierre-Vlaams (Spaans of Oostenrijks).

Maar ook te Gullegem is het grondgebied over twee landboeken verdeeld. Nochtans is deze prochie helemaal niet verdeeld over twee kasselrijen. De scheiding van de prochie in twee afzonderlijke entiteiten is dan ook een bijzonder geval. In 1740 ijverde de heer van Terschueren met steun van de prelaat van de Sint-Maartensabdij uit Doornik voor de verzelfstandiging van de parochie Winkel-Kapelle, aanvankelijk een gehucht van Gullegem. Na veel moeilijkheden waaronder processen voor het Hoog Gerechtshof te Mechelen en voor het Parlement te Douai krijgt hij zijn zin en wordt de parochie in 1747 officieel opgericht door de bisschop van Doornik opgericht. Een kerk, gewijd aan Sint-Elooi, zal pas in 1758 worden voltooid (een eerste pastoor wordt zelfs pas in 1772 benoemd). Administratief blijft de nieuwe parochie wel nog onder Gullegem ressorteren en werd ze bestuurd door een ‘beheerder’. Pas na de Franse Revolutie wordt Sint-Eloois-Winkel een zelfstandige gemeente en zal ze een burgemeester krijgen. Tegenwoordig is Gullegem deel van Wevelgem en Sint-Eloois-Winkel van Ledegem.

De schizofrene situatie rond het bestuur van Gullegem komt tot uiting in het bestaan van twee opmetingen, allebei op vraag van de hooftmannen en regierders van de prochie van 18 oktober 1705 opgemaakt. Beide landboeken dragen bovendien de titel Lantbouck der prochie van gulleghem dragen. Hoewel de afscheiding van Winkel-Kapelle (Sint-Eloois-Winkel) nog een halve eeuw op zich zal laten wachten en de naam van de toekomstige parochie zelfs niet wordt vermeld, was er toch al een duidelijke bestuurlijke scheiding tussen Zuid-Gullegem (= Gullegem) en Noord-Gullegem (=Sint-Eloois-Winkel), die ook wordt erkend door het kasselrijbestuur.

IMG_7680

Het landboek van Gullegem (het zuidelijk gedeelte) is van de hand van Francis Joris Gheijsen, landmeter van de stad en roede Menen. Het bevat de groote van alle de landen gheleghen op den zuijt cante vande prochie tot de steenbeke en beschrijft 1.201 percelen, verdeeld over drie kantons, waarvan het noordelijkste grenst aan het gescheide van dese prochie. Achteraan is een tafel van eigenaars toegevoegd. Er is ook een slordige, weinig fraaie figuratieve kaart ingevoegd. Het landboek van Sint-Eloois-Winkel (het noordelijk gedeelte) beschrijft de grootte van alle de landen [gheleghen op den] noortcant vande selve prochie in 1.131 percelen, verdeeld over drie kantons. Het werd gemaakt door Jacobus de Fraeije, landmeter van de stad en roede Menen. De kaarten zijn zoek en het is in een slechte staat (al kan een dankzij heemkring De Meiboom een kopie worden geraadpleegd). Net als het landboek van het noordelijk deel bevat het aanvullingen en correcties uit 1771. Opvallend is nog dat beide landboeken door dezelfde bestuurders, met name Marijn van Dommele, Maximiliaen van Ackere en Jan dele Forterie en door Jan Parmentier, J. de Fraeije, en F.J. Gheijsen als getuige zijn ondertekend. Beide landmeters hebben dus hun goedkeuring gehecht aan het landboek van de andere, wat doet vermoeden dat de opdracht voor de opmeting van de prochie samen aan de twee landmeters is toegewezen. Misschien hebben zij dat zelf beslist dat de éne het noordelijk deel en de andere het zuidelijke deel voor zich zou nemen. Misschien betaalt de heer van Terschueren of een andere vermogende Winkelnaar mee voor de opmaak van de opmeting, op voorwaarde dat er een afzonderlijk landboek komt voor het noordelijk deel van Gullegem. Al zijn dat enkel hypotheses. In elk geval leverde het twee interessante zowel als merkwaardige landboeken op, waarvan de ontstaansgeschiedenis zeker een onderzoek waard is.

IMG_7674

(met dank aan Geert Vermaut voor de geschiedenis van Sint-Eloois-Winkel)

Landboeken in kaart gebracht

Landboeken zijn bijzonder belangrijke bronnen voor historisch onderzoek. In veel kasselrijen (in feite de provincies van vroeger) werd de opmaak ervan bevolen. Je kan er in dit geval dan ook van aan dat er minstens twee exemplaren werden gemaakt, die door de besturen (lokaal en kasselrij) met zorg werden bewaard. Nadat hun nut weg deemsterde na het ontstaan van het modern kadaster onder het regime van Napoleon Bonaparte en de verwaarlozing van lokale en regionale archieven zijn ze verspreid geraakt. Ik wil ze graag voor het onderzoek weer ‘zichtbaar’ maken, en welke manier is beter geschikt dan een kaart? Je kan vanaf nu via een Google-kaart zien of er van je (deel)gemeente nog zo’n landboek is bewaard: Batchgeo-kaart landboeken

Zodra ik een nieuw landboek beschreven heb, dat wil zeggen, de belangrijkste data heb gevonden (vervaardiger(s), aantal kaarten, aantal percelen, datum van aflevering en vindplaats), zullen deze gegevens ingevoerd worden op deze kaart. Je kan het dus steeds via deze link blijven volgen.

Het is een stille droom om dit niet enkel voor West-Vlaanderen (te beginnen met de kasselrij Kortrijk) te doen, maar voor het hele land. Hulp en tips zijn dus meer dan welkom.

West-Vlaanderen opgemeten

Hoe kan de aanwezigheid van landboeken beter uitgedrukt worden dan door middel van een kaart?

Alle door mijzelf (al dan niet met hulp van anderen) gedocumenteerde landboeken zullen op onderstaande kaart weergegeven worden. Veel data zijn al in mijn bezit, maar nog niet verwerkt, zodat de kaart nog wat ‘leeg’ is. Ik hoop hier snel verandering in te kunnen brengen. Regelmatig zal de kaart vernieuwd worden.

Het ingekleurde grondgebied werd in de achttiende eeuw opgemeten. Wat groen is ook (deels) bewaard, wat geel is kan je enkel in kladversie vinden, wat rood is ging (al dan niet permanent) verloren.

kaartwvl_nieuwkopie_werkversie1

De dynamiek van het landboek. Casus: landboek van Anzegem (1656)

Administratieve documenten voor het grondbeheer en het innen van taksen zijn in de eerste plaats werkdocumenten. Vaak worden annotaties aangebracht, niet in het laatst omdat het opmaken van een nieuw document een tijdrovende en dure operatie is. Nieuwe eigenaren of wijzigingen aan de perceelsgrenzen werden dan ook vaak op het register zelf genoteerd. Het is ongetwijfeld geen toeval dat veel landboeken over een ruime kantlijn beschikten.

Bij elk historisch document is het belangrijk na te gaan ‘waarom’ het document werd opgemaakt (met andere woorden, wat is haar ‘doel’). Rijke burgers lieten door landmeters rijk geïllustreerde en kleurrijke registers opmaken, in leer ingebonden en soms zelfs van een slot voorzien. Deze eigendomsregisters zijn in feite statussymbolen avant-la-lettre en er kon geen sprake van zijn ze met slordig aangebracht annotaties te ‘verfraaien’. Anders is het voor lokale en regionale besturen, waarvoor het erom ging de geldkoffers gevuld te houden. Kaarten durven al eens te ontbreken. Ligging van de percelen werd bepaald aan de hand van de beschrijving in het register zelf.

Het landboek van Anzegem dat in 1656 door François vander Stichelen wordt opgemaakt, mist verschillende pagina’s waaronder de erg belangrijke titelpagina. Bij de beschrijvingen zijn annotaties aangebracht, zoals bij perceel nummer vijf, eigendom van Arent de Bosschere, vier bunder vier vierendelen elf roeden groot (ongeveer 3,5 hectare). Het perceel bestaat uit vier stukken land, waarvan één volgens de annotatie links in de kantlijn, behoort aan Joris de Bosschere. De annotatie is helaas niet gedateerd. Opvallend is 1°) het samenvoegen van diverse percelen van één eigenaar onder één artikel, 2°) het vermelden van de ‘belastingoppervlakte’ (die twee bunder vijfenzeventig roeden of ruim drie hectare bedraagt), 3° het gebruik van landmaten van de kasselrij Kortrijk, hoewel Anzegem tot de kasselrij Oudenaarde behoort (het gebruik van het ‘vierendeel’, vierde deel van een bunder, is ook uitzonderlijk). Het gaat hier dus duidelijk om een administratief document, er in de eerste plaats op gericht zo efficiënt mogelijk de grondbelasting te innen.

IMG_4364 (2)

Van Anzegem zijn diverse landboeken bewaart. In 1705 baseerde Anthone Baert zich op de vijftig jaar oude voorganger om een nieuw landboek op te maken. Vergelijking is moeilijk, gezien hij wel het – meer hangbare – principe hanteerde om onder elk artikel slechts één perceel land te beschrijven. In 1782 ‘vernieuwden’ Guilielmus Teerlinck en Petrus Reynaert op hun beurt dat landboek, waarbij ze – gelukkig voor de onderzoeker – wel van dezelfde perceelnummers gebruik maakten. Ook dit landboek – i.t.t. dat van 1705 – bevat annotaties.

Keizerin Maria Theresia beval de opmaak van land- en kaartboeken in de Zuidelijke Nederlanden

Op 9 april 1755 ondertekende keizerin Maria Theresia van Habsburg het eerste decreet over de opstelling van kaart- en landboeken. Dit werd op 8 oktober 1763 gevolgd door een tweede decreet. Ongetwijfeld werden de kasselrijbesturen in deze decreten opgedragen hun grondgebied (per prochie) te laten opmeten. Heel veel kaart-en landboeken dateren dan ook uit deze periode. Tot op heden heb ik deze decreten nog niet gevonden (ook niet in uitgegeven placcaert-boeken van Vlaenderen). Spreekt vanzelf dat ik dat ook erg benieuwd ben naar de integrale tekst.

(Met dank aan René de Clercq)

Het erfachtig landmeterschap in de kasselrij Kortrijk

Landmeters konden ook tijdens het Ancien Régime niet zomaar aan de slag. Ze moesten een bewijs van bekwaamheid voorleggen aan de hogere overheid. In de Spaanse Nederlanden was dat de Geheime Raad, die vanaf 1593 tot haar eerste afschaffing in 1702 roije of koninklijke landmeters aanstelde. Maar ook lagere overheden, zoals graafschappen en hertogdommen konden landmeters admitteren (toelaten) en later registreerden ook kasselrijen landmeters en prijzers, die dan gewoonlijk een eed van kunde aflegden. Zo verplichtte de kasselrij Kortrijk vanaf 1704 (wellicht niet helemaal toevallig na het wegvallen van de registratie door de Geheime Raad) landmeter en priojzers-deelslieden zich te registreren bij het hoofdcollege van de kasselrij. Gebruikelijk legden koninklijke landmeters een examen af bij twee oudere en ervaren beroepsgenoten en doorliepen ze een leertijd bij een andere ervaren vakgenoot. In veel gevallen was die laatste hun vader. Die praktijk werd door de lagere besturen gevolgd.

In de kasselrij Kortrijk bestond daarnaast een bijzondere gewoonte. De vrije lant maete van de casselrije van Corteryck maakte er namelijk deel uit van het verder onbelangrijke leen Lerberchboom in Kortrijk-buiten en Marke. De baljuw van deze heerlijkheid mocht 60 ponden parisis opleggen aan alle de gone die hemlieden sullen vervoorderen te metene ofte te overslaene eenighe gronden van erfven gheleghen binnen der voorseide stede ende alle de Casselrije van Cortrijck. Dit leen kwam in 1616 in handen van Lowys de Bersacques, zoon van Pieter, die zelf ook de titel van gheswoeren landmetere der stede ende casselrie van Cortericke gebruikte, evenwel zonder de heerlijkheid te bezitten. Na Lowys’ dood in 1646 erfde zijn oudste zoon Eduard de Bersacques het leen en de titel van erfachtig landmeter. Het blijft echter onzeker of hij het landmetersberoep ook daadwerkelijk uitoefende, gezien hij vroeg overleed (in 1651) en er geen kaarten van zijn hand bekend zijn. Zijn stiefbroer Lowys II de Bersacques (1625-1695) erfde het leen en het erfachtig landmeterschap, wat een bijzondere situatie creërde gezien de man een geestelijke was (en later deken van het OLV-kapittel te Kortrijk werd). Zijn broers Albert I (1632-1718) en Joseph (1636-1708) zullen het landmetersberoep effectief uitoefenen, terwijl hun oudere broer hun rechten beschermde. Via Albert I zal het erfachtig landmeterschap bij diens zoon Albert II de Bersacques (1678-1730) terechtkomen, waarna het voor de familie verloren ging, gezien hij kinderloos bleef en (wellicht) ook geen neven had. Ook deze laatste telg van het geslacht De Bersacques oefende het landmetersberoep niet uit, maar liet zijn rechten op het erfachtig landmeterschap in de kasselrij Kortrijk wel meermaals gelden in de rechtbank. Of althans, hij poogde dat, al slaagde hij daar na zijn verhuis naar Gent nog zelden in. De praktijk had inmiddels de onpraktische en inefficiënte gewoonte om het landmetersberoep via een erfelijk recht te beschermen achterhaald.

Het blijft uiteraard merkwaardig vast te stellen dat in de kasselrij Kortrijk (en ook in de baronnie Ingelmunster) het ladmeterschap verbonden was met een erfelijk leen. Met als gevolg dat de leenbezitter een recht kon uitoefenen zonder enige praktische kennis terzake. Al leidt het ongetwijfeld geen twijfel dat de familie De Bersacques het erfachtig landmeterschap in de kasselrij voor ruim honderd jaar in hun bezit kon houden door het erfachtig leen steeds handig te combineren met goed opgeleide broers-landmeters.

AA361410: Manuscripts

Verborgen erfgoedschatten: landboek Sint-Baafs-Vijve

In zolders, kelders en verborgen kamertjes ligt nog heel wat erfgoed verborgen. Af en toe duiken in dat soort stoffige, vergeten ruimtes echte erfgoedschatten op. Zo vonden erfgoedmedewerkers te Wielsbeke op de zolder van het gemeentehuis onlangs een landboek van de prochie Sint-Baafs-Vijve. Het werd op 6 mei 1763 aan de burgemeester en schepenen van Sint-Baafs-Vijve overgemaakt. Gezworen landmeter Charel Philippe Minne, die tien jaar later ook een landboek van de prochie Desselgem zal opstellen, stond in voor de vervaardiging. De aanbesteding werd gedaan op 5 augustus 1761, één jaar nadat het opmeten had moeten beginnen.

In het landboek wordt de prochie opgedeeld in drie wijken of kantons. De Kerkwijk, tussen de Mandel, Leie, Wielsbeke en de dreef van de graaf van Wakken, telt 324 percelen en is 256 bunder 817,5 roeden groot (363,5 ha). D’Oije, tussen de Leie, de Oude Leie en de straete telt slechts 153 percelen en is 108 bunder 1522 roeden (154,5 ha) groot. De laatste wijk, Den Drooghen Broodthoeck tussen Mandel, dreef van de graaf van Wakken, Wielsbeke, Oostrozebeke en opnieuw de Mandel, telt 198 percelen en is 209 bunder 9 roeden groot (296 ha). Van elke wijk werd een figuratieve kaart gemaakt, waar op heden echter elk spoor van ontbreekt.

Het landboek is het eerste document waarin de volledige oppervlakte van de latere gemeente Sint-Baafs-Vijve volledig staat opgetekend. Tot op heden zijn geen eerdere landboeken van de gemeente bekend, maar het is natuurlijk mogelijk dat ergens op een zolder of in een diepe kelder, ooit nog een exemplaar opduikt waarvan het bestaan in de nevelen van de geschiedenis is verhuld…

IMG_3028