Blog

Keizerin Maria Theresia beval de opmaak van land- en kaartboeken in de Zuidelijke Nederlanden

Op 9 april 1755 ondertekende keizerin Maria Theresia van Habsburg het eerste decreet over de opstelling van kaart- en landboeken. Dit werd op 8 oktober 1763 gevolgd door een tweede decreet. Ongetwijfeld werden de kasselrijbesturen in deze decreten opgedragen hun grondgebied (per prochie) te laten opmeten. Heel veel kaart-en landboeken dateren dan ook uit deze periode. Tot op heden heb ik deze decreten nog niet gevonden (ook niet in uitgegeven placcaert-boeken van Vlaenderen). Spreekt vanzelf dat ik dat ook erg benieuwd ben naar de integrale tekst.

(Met dank aan René de Clercq)

Het erfachtig landmeterschap in de kasselrij Kortrijk

Landmeters konden ook tijdens het Ancien Régime niet zomaar aan de slag. Ze moesten een bewijs van bekwaamheid voorleggen aan de hogere overheid. In de Spaanse Nederlanden was dat de Geheime Raad, die vanaf 1593 tot haar eerste afschaffing in 1702 roije of koninklijke landmeters aanstelde. Maar ook lagere overheden, zoals graafschappen en hertogdommen konden landmeters admitteren (toelaten) en later registreerden ook kasselrijen landmeters en prijzers, die dan gewoonlijk een eed van kunde aflegden. Zo verplichtte de kasselrij Kortrijk vanaf 1704 (wellicht niet helemaal toevallig na het wegvallen van de registratie door de Geheime Raad) landmeter en priojzers-deelslieden zich te registreren bij het hoofdcollege van de kasselrij. Gebruikelijk legden koninklijke landmeters een examen af bij twee oudere en ervaren beroepsgenoten en doorliepen ze een leertijd bij een andere ervaren vakgenoot. In veel gevallen was die laatste hun vader. Die praktijk werd door de lagere besturen gevolgd.

In de kasselrij Kortrijk bestond daarnaast een bijzondere gewoonte. De vrije lant maete van de casselrije van Corteryck maakte er namelijk deel uit van het verder onbelangrijke leen Lerberchboom in Kortrijk-buiten en Marke. De baljuw van deze heerlijkheid mocht 60 ponden parisis opleggen aan alle de gone die hemlieden sullen vervoorderen te metene ofte te overslaene eenighe gronden van erfven gheleghen binnen der voorseide stede ende alle de Casselrije van Cortrijck. Dit leen kwam in 1616 in handen van Lowys de Bersacques, zoon van Pieter, die zelf ook de titel van gheswoeren landmetere der stede ende casselrie van Cortericke gebruikte, evenwel zonder de heerlijkheid te bezitten. Na Lowys’ dood in 1646 erfde zijn oudste zoon Eduard de Bersacques het leen en de titel van erfachtig landmeter. Het blijft echter onzeker of hij het landmetersberoep ook daadwerkelijk uitoefende, gezien hij vroeg overleed (in 1651) en er geen kaarten van zijn hand bekend zijn. Zijn stiefbroer Lowys II de Bersacques (1625-1695) erfde het leen en het erfachtig landmeterschap, wat een bijzondere situatie creërde gezien de man een geestelijke was (en later deken van het OLV-kapittel te Kortrijk werd). Zijn broers Albert I (1632-1718) en Joseph (1636-1708) zullen het landmetersberoep effectief uitoefenen, terwijl hun oudere broer hun rechten beschermde. Via Albert I zal het erfachtig landmeterschap bij diens zoon Albert II de Bersacques (1678-1730) terechtkomen, waarna het voor de familie verloren ging, gezien hij kinderloos bleef en (wellicht) ook geen neven had. Ook deze laatste telg van het geslacht De Bersacques oefende het landmetersberoep niet uit, maar liet zijn rechten op het erfachtig landmeterschap in de kasselrij Kortrijk wel meermaals gelden in de rechtbank. Of althans, hij poogde dat, al slaagde hij daar na zijn verhuis naar Gent nog zelden in. De praktijk had inmiddels de onpraktische en inefficiënte gewoonte om het landmetersberoep via een erfelijk recht te beschermen achterhaald.

Het blijft uiteraard merkwaardig vast te stellen dat in de kasselrij Kortrijk (en ook in de baronnie Ingelmunster) het ladmeterschap verbonden was met een erfelijk leen. Met als gevolg dat de leenbezitter een recht kon uitoefenen zonder enige praktische kennis terzake. Al leidt het ongetwijfeld geen twijfel dat de familie De Bersacques het erfachtig landmeterschap in de kasselrij voor ruim honderd jaar in hun bezit kon houden door het erfachtig leen steeds handig te combineren met goed opgeleide broers-landmeters.

AA361410: Manuscripts

Verborgen erfgoedschatten: landboek Sint-Baafs-Vijve

In zolders, kelders en verborgen kamertjes ligt nog heel wat erfgoed verborgen. Af en toe duiken in dat soort stoffige, vergeten ruimtes echte erfgoedschatten op. Zo vonden erfgoedmedewerkers te Wielsbeke op de zolder van het gemeentehuis onlangs een landboek van de prochie Sint-Baafs-Vijve. Het werd op 6 mei 1763 aan de burgemeester en schepenen van Sint-Baafs-Vijve overgemaakt. Gezworen landmeter Charel Philippe Minne, die tien jaar later ook een landboek van de prochie Desselgem zal opstellen, stond in voor de vervaardiging. De aanbesteding werd gedaan op 5 augustus 1761, één jaar nadat het opmeten had moeten beginnen.

In het landboek wordt de prochie opgedeeld in drie wijken of kantons. De Kerkwijk, tussen de Mandel, Leie, Wielsbeke en de dreef van de graaf van Wakken, telt 324 percelen en is 256 bunder 817,5 roeden groot (363,5 ha). D’Oije, tussen de Leie, de Oude Leie en de straete telt slechts 153 percelen en is 108 bunder 1522 roeden (154,5 ha) groot. De laatste wijk, Den Drooghen Broodthoeck tussen Mandel, dreef van de graaf van Wakken, Wielsbeke, Oostrozebeke en opnieuw de Mandel, telt 198 percelen en is 209 bunder 9 roeden groot (296 ha). Van elke wijk werd een figuratieve kaart gemaakt, waar op heden echter elk spoor van ontbreekt.

Het landboek is het eerste document waarin de volledige oppervlakte van de latere gemeente Sint-Baafs-Vijve volledig staat opgetekend. Tot op heden zijn geen eerdere landboeken van de gemeente bekend, maar het is natuurlijk mogelijk dat ergens op een zolder of in een diepe kelder, ooit nog een exemplaar opduikt waarvan het bestaan in de nevelen van de geschiedenis is verhuld…

IMG_3028

Algemeen Rijksarchief stelt onlinecollectie historische kadasterplannen en -documenten open

Onlangs zijn de gewestelijke afdelingen van het kadaster begonnen met het overdragen van plannen en documenten van het zogenaamde primitief kadaster naar de verschillende afdelingen van het Rijksarchief. Om de slijtage van deze kwetsbare stukken tot een minimum te beperken werden de overzichtsplannen en plannen van de kadastrale secties ingescand. Ze zijn, per gemeente, te raadplegen via de catalogus van het Rijksarchief of via de website van het Cartesius-project. Vergeet niet in te loggen wanneer u de gedigitaliseerde bestanden wil bekijken. De kaarten zijn nog niet voor alle gemeenten ingescand en het is onwaarschijnlijk dat ook alle nevenreeksen, zoals de mutatie- en perequatiedossiers, zullen worden ingescand. Wel is een omvangrijke reeks ‘processen-verbaal van afpaling’, waarmee de gemeentegrenzen werden vastgelegd, gedigitaliseerd.

Het primitief kadaster werd opgestart onder keizer Napoleon omstreeks 1800. Het in kaart brengen en waarderen van alle individuele eigendommen nam meerdere decennia in beslag en werd uiteindelijk in 1834 voltooid (voor Limburg en Luxemburg zelfs pas in 1844). De documenten vormen een unieke bron voor diverse terreinen van het heemkundig en historisch onderzoek, zoals landschaps- en huizengeschiedenis, sociaal-economische geschiedenis van stad of dorp, maar ook familiegeschiedenis en genealogie.

Een promotiefilmpje over de collectie kan u vinden op het Youtube-kanaal van het Algemeen Rijksarchief.

Grondbezit en -gebruik door de eeuwen heen

Landboeken en gelijkaardige documenten zijn uitermate geschikt om het grondbezit en -gebruik doorheen de eeuwen ‘in kaart te brengen’. Het is daarbij aan te bevelen de gegevens in een database of spreadsheet in te brengen, met het landboek of (eventueel) de Popp-legger als vertrekpunt. Een voorbeeld van zo’n spreadsheet (met het landboek van Deerlijk als vertrekpunt vind u hier. Opmerkingen en vragen zijn uiteraard welkom.

Alfabetische lijst landboeken

De voorlopige lijst van landboeken en ommelopers van de Westvlaamse parochies en huidige (deel)gemeenten kan nu via Google Drive geraadpleegd worden. U vindt er de naam van de wereldlijke parochie (prochie), de informatiebron, de eventuele digitale toegang en het nummer van de bewaarplaats, de bewaarplaats zelf, het jaar van opmaak, het aantal opgemeten percelen en ingevoegde kaarten, de vervaardiger, de term waarmee het register wordt aangeduid en aanvullende informatie. Mocht u aanvullingen of correcties hebben, kan u deze steeds aan ons overmaken.

Landboeken in het Kasselrij-archief

Het Hoofdcollege van de Kasselrij Kortrijk beval in 1753-1754 de opmeting van elke wereldlijke parochie in een landboek. Na 15 oktober 1778 waren landboeken van de parochies Aalbeke, Astene, Beveren-Leie, Deerlijk, Deinze (Stad), Harelbeke-Buiten, Heestert, Kanegem, Kooigem, Kortrijk-Buiten, Markegem, Moen, Moeskroen, Oesselgem, Ooigem, Olsene, Poeke, Pittem, Spierre, Sint-Baafs-Vijve, Sint-Denijs, Sint-Eloois-Vijve, Vichte, Waregem en Wontergem (25 van de 69 parochies). Van deze parochies is er dus zeker een landboek gemaakt, waarvan één exemplaar bij het kasselrijbestuur gedeponeerd werd, zoals bepaald door het decreet. Het landboek van Petegem-Buiten, opgemaakt door landmeter Van Huffel, was afgewerkt, maar nog niet aan het kasselrijbestuur overgemaakt. Voor Bellegem (Holvoet), Desselgem (De Bal), Dottignies (De Veugele), Ingelmunster (Holvoet), Lauwe (Holvoet), Oostrozebeke (Van Outrive) en Rollegem (Holvoet) (7 parochies)  was de opdracht al toegewezen, maar nog niet voltooid, en voor de parochies Aarsele, Bavikhove, Dentergem, Deinze-Buiten, Egem, Gottem, Grammene, Herseaux, Hulste, Kuurne, Luingne, Machelen, Marke, Meulebeke, Otegem, Rekkem, Ruiselede, Tielt-Buiten, Wakken, Wielsbeke, Wingene, Zeveren, Zulte, Zwevegem en Zwevezele (25 parochies) was er nog geen nieuws. De parochies uit de Roede van Menen (Bissegem, Dadizele, Geluwe, Gullegem, Heule, Lendelede, Menen, Moorsele, Sint-Eloois-Winkel en Wevelgem) en de stad Izegem vielen wellicht niet onder de kasselrij-order van 1753-1754, gezien de namen van deze parochies noch op een lijst van nog te verwachten landboeken noch op een lijst van al opgemaakte landboeken voorkomen.

Casus: Het landboek van het Laatschap van Kachtem (1725)

In 1725 geven de baljuw, burgemeester en schepen van het Laatschap van Kachtem opdracht – op basis van een oktrooi van de Raad van Vlaanderen – tot het opmaken van een terrier ofte lantbouck [van het Laatschap] in canten ende aboutten met specificatie van ider partije, neffens de quarte figuratijve, wesende dhofsteden, boomgaerden, landen, meersch, bosch ende coyweeden. Er wordt daarvoor beroep gedaan op Ledegemnaar Gregorius Berghman, beëdigde landmeter van Stad en Roede van Menen, vrij landmeter van Ieper Ambacht en van het Ambacht van Roeselare. Berghman start zijn werk op 23 april 1725 en beëindigd het op 3 september 1725, en heeft het als titel Metijnckbouck vanden Laetschepe van Cachtem onder de Roede van Meenen, vernieuwd door Gregorius Berghman, gheeeden lantmeter der voorseijde roede van Meenen ende der Casselrije van Ipre breeder soo hier naer volgt krijgt. Uit de titel blijken niet enkel een aantal tegenstrijdigheden, maar ook dat het om een vernieuwing gaat op basis van een ouder landboek, waarvan noch de datum noch de maker worden vermeld.

Merkwaardig is bijvoorbeeld dat Berghman zich op het titelblad beëdigd landmeter van de kasselrij Ieper noemt, terwijl hij op de eerste binnenpagina ‘vrij landmeter’ van Ieper Ambacht wordt. Verder blijkt ook dat de Stad en Roede van Menen als enige binnen de kasselrij Kortrijk haar eigen landmeter(s) aanstelt en dat ondanks het vrij agressieve optreden van de gezworen landmeters van de kasselrij wanneer die hun rechten zien aangetast (zij dat dit voornamelijk in de 17de eeuw gebeurd).

Het landboek beschrijft niet het volledige grondgebied van de parochie Kachtem en past dan ook niet in de 18de eeuw snel groeiende rij van parochiale landboeken. Het is in een verzorgd voorbeeld van een landboek van een heerlijkheid op het moment dat deze registers van grondlasten op de terugweg zijn.

Vooraan in het landboek is een pagina toegevoegd waarop wordt vermeld dat B. De Hulster, beëdigd landmeter van de Stad en Kasselrij Ieper op verzoek van enkele bestuurders van de parochie Roeselare voor de oostkant van de parochie een nieuwe kaart maakt. Klaarblijkelijk kadert dit in een geschil tussen het Laatschap en de Stad Roeselare, gezien daaronder wordt toegevoegd dat in 1762 dezelfde landmeter verklaart dat de eerder opgemeten en in kaart gebrachte percelen wel degelijk bij Roeselare horen, en niet Berghman, maar hijzelf dus een fout maakte.

Het landboek beschrijft 250 percelen, goed voor in totaal 93 bunder 244 roeden. Eén perceel, nummer 251, de Paelwulghen, met een oppervlakte van 752 roeden, wordt later aan het landboek toegevoegd. Het bevat zes kaarten, vier grote en twee kleintjes, waarop telkens slechts een vijftal geïsoleerde percelen worden afgebeeld.

DSCN3006

Casus: het landboek van Pittem (1666)

Op 12 december 1664 tekende de broers Albert en Joseph een contract voor de opmaak van een landboek met de baljuw, burgemeester en schepenen van de parochie Pittem. De Raad van Vlaanderen had het magistraat van het dorp namelijk bevolen de parochie te laten opmeten. Volgens het contract kregen beide landmeters drie stuivers per gemet betaald. Het landboek werd ruim één jaar later, in januari 1966, afgeleverd. Van dit landboek, dat volgens een procesdocument 1.338 artikelen op folio geschreven bevatte en een kaft met witte hoorn kreeg, werd enkel de kladversie van de kaarten bewaard. Ze hebben de niet geringe omvang van 112 op 123 en 124 op 145cm.

Op 30 juli 1666 daagden de beide landmeters en hun ketendraegher Adriaen Plancke de burgemeester en schepenen van Pittem voor de Raad van Vlaanderen. Ze eisten de betaling van respectievelijk vijftien en twaalf stuiver per uur in plaats van het overeengekomen bedrag in het contract van 1664. Ze wezen daarbij op de moeilijkheid van de opdracht en de voortdurende tegenwerking waarmee ze te maken kregen. Het opgelegde verblijf in een lokale herberg – waar ze bovendien regelmatig dronken werden gevoerd – zorgde voor onvoorziene uitgaven, ze hadden onbekwame helpers gekregen die de op te meten percelen niet wisten liggen en sommigen notabelen gaven hen bewust verkeerde informatie. Het magistraat verdedigde zich door te wijzen op de vergoeding van drie stuiver per gemet die ze voor een opmeting in Oostkamp hadden betaald gekregen. De parochie Aarsele Pieter de Suttere, landmeter uit de Oudburg, bij een opmeting ook maar twaalf groten per bunder betaald hebben. Ze ontkende ook elke beschuldiging van tegenwerking, maar werden uiteindelijk in het ongelijk gesteld. Het magistraat diende beide landmeters twee schellingen groter per uur te betalen, voor Albert de Bersacques 1.212 werkuren en voor Joseph de Bersacques 1.092 werkuren (in moderne werkdagen van acht uur, respectievelijk 151,5 en 136,5 werkdag). Albert kreeg daarboven nog 70 werkdagen aan tien schellingen groten per dag te betalen. De derde eiser, de drager van de roedeketen, kreeg voor 110 werkdagen 3 schellingen 4 groten per dag uitgekeerd.

Dankzij dit proces en de ingebrachte bewijsstukken kan de totstandkoming van het Pittemse landboek gereconstrueerd worden. Op 8 december 1664 kwam Albert de Bersacques op vraag van de baljuw en schepenen van zijn woonplaats Kortrijk naar Pittem om het contract voor de opmeting op te stellen. Vier dagen later keerde hij terug om samen met zijn broer het contract te tekenen in het gezelschap van schepen Jan de Maeght. Dat de Pittemse magistraat bij de broer de Bersacques’ was terecht gekomen is niet vreemd. Beide zijn broers van Lowys de Bersacques (de jongere) (Kortrijk 1625 – Kortrijk 1695), deken van het kapittel van de OLV-kerk, en erfachtig gezworen landmeter in opvolging van zijn vader Lowys de Bersacques (de oudere) (Kortrijk 1586 – Kortrijk 1646). Hijzelf werkte niet als landmeter, maar besteedde al zijn opdrachten uit aan zijn broers Albert (de oudere) (Kortrijk 1632 – Kortrijk 1718) en Joseph (Kortrijk 1636 – Kortrijk 1708). De broers begonnen met het opmeten in februari 1665. Zowel op de 10de als de 11de waren ze van acht uur ’s morgens tot tien uur ’s avonds aan het werk (waarbij moet opgemerkt dat hun rekening liep vanaf hun vertrek tot hun aankomst te Kortrijk). Ook op de 12de gingen ze om acht uur aan de slag, maar keerden wegens de grote vorst na drie uur naar Kortrijk terug. Ze waren pas een maand later terug te Pittem en werkten er van 10 tot 16 maart. Ook tussen 25 maart en 3 april verrichtten ze opmetingen ter plaatse. In deze periode werkten ze herhaaldelijk vanaf vijf, zes of zeven uur ’s morgens tot tien of elf uur ’s avonds. Zelf de zondagsrust was niet veilig, al beperkten ze hun werk tot een viertal uur. Dit betekent wel dat beiden in 9 dagen 119 uur werkten of een gemiddelde van 13 uur en een kwart per dag. Op vier april waren ze beide terug te Kortrijk, waar Albert nog dezelfde avond zes uur zal besoignieren int calculeren en andersins. Pas op 14 april vertrok Albert terug naar Pittem. Zijn broer kwam hem tegen vijf uur ’s namiddags achterna. Ze bleven dit keer tot de 18de, waarop ze om vier uur ’s morgens met hun opmetingen begonnen om in de namiddag huiswaarts te keren. Vanaf 22 april was Albert opnieuw te Pittem (vanaf de 24ste samen met zijn broer). Bij hun vertrek op 30 april is hetzelfde patroon zichtbaar als op de laatste dag van hun vorig verblijf: ’s morgens om vier uur beginnen om kort na de namiddag naar Kortrijk af te reizen. Nieuwe periodes van opmetingen waren 5 tot 12 mei en 19 tot 23 mei. Tussendoor deed Albert thuis opnieuw de nodige berekeningen (2 mei). Dit rekenwerk deed hij steeds alleen. In juni en juli werd geen terreinwerk gedaan. De zomermaanden vormde gewoonlijk een rustperiode voor de landmeter. Pas op 8 augustus keerden de broers terug naar Pittem, zij het slechts voor één dag. Ook op 6 en 7 en 13, 14 en 15 september werden opmetingen verricht (in dit laatste geval door Albert alleen). Toch werd de draad pas echt terug opgepikt vanaf 6 oktober (tot 16 oktober). Albert en Joseph bevonden zich opnieuw in Pittem van 3 tot 12 en 15 tot 22 november en van 3 tot 17 december. In deze najaarsmaanden werkten ze gewoonlijk van zes of zeven uur ’s morgens tot acht of negen uur ’s avonds. Op 27 en 28 januari 1665 voerden ze een aantal hermetingen uit (o.m. van de breedmeersch). De werkzaamheden op het terrein werden minstens twee keer afgebroken wegens de slechte weersomstandigheden (vorst op 12 februari 1664 en regen op 2 mei 1664). Het is ongetwijfeld geen toeval dat Albert de Bersacques nauwgezet de weersomstandigheden noteerde in een poging deze te kunnen voorspellen.

Na de opsomming van de terreinwerkzaamheden werd in het procesdossier enkel nog geduid op de voorlegging van de minuut van het landboek. Wellicht stond enkel Albert voor de redactie ervan in. Voor dit werk kregen de landmeters echter niks afzonderlijk vergoed. Er werd enkel geld gevraagd voor een lading papier die vanuit gent moest komen en voor de betaling van een schrijver, die vijf dagen nodig heeft voor het in het net stellen van de tekst. Tenslotte had ook Adriaen Plancke, de Kortrijkse dienaar van de landmeters, een afzonderlijke rekening opgesteld, waaruit blijkt dat hij bij elke opmeting aanwezig was. Hij is de enige die volledig in werkdagen werd uitbetaald, terwijl Joseph enkel in uren en Albert in beide werd vergoed. Nergens wordt aangegeven hoe lang een dag duurde en waarom dit onderscheid werd gemaakt. De verklaringen over de werkwijze en -tijd van de landmeting gebeurde dan ook op erewoord.

Biografie: landmeter Roeland Meyaert (1661-1727)

Roeland Meyaert jr (RM) werd op 11 september 1661 gedoopt te Zedelgem. Hij was het oudste kind van landbouwer-landmeter Roeland Meyaert sr (1636-1690) en Joanna Allaert (-1705). Op 25 september 1668 huwt in de Brugse Sint-Salvatorskerk met Catharina Lievens, dochter van een gewezen burgemeester van de heerlijkheid Beveren-Roeselare en te Torhout geboren op 4 januari 1662. Ze zullen samen twee zonen en vier dochters krijgen, waaronder één tweeling: Joannes (Brugge 1689 – onbekend), Leonard (Brugge 1691 – Jabbeke 1692), Dorothea (Jabbeke 1694 – onbekend), Paschasia (Jabbeke 1695 – Torhout 1723), Anna Therese (Jabbeke 1695 – 1755) en Mary Catheryne (Torhout 1698 – onbekend). Na zich aanvankelijk in Brugge te hebben gevestigd, verhuist het jonge echtpaar tussen 10 oktober 1691 en 4 juni 1692 naar Jabbeke en tussen 3 april 1695 en 5 mei 1698 naar Torhout. In 1699 pacht RM er een hoeve van Jan de Keyser uit Sint-Kruis.

RM was intussen al ingezworen als landmeter van het Brugse Vrije. Hij zal in die hoedanigheid een tiental ommelopers en landboeken (terriers) vervaardigen: ommelooper van het ambacht en de prochie van Jabbeke (1689), nieuwe ommelooper van vrye, proos en guyslanden (1692), terrier van Aartrijke (1696), ommeloper van Bekegem en watering Ghestele (1698), ommelooper van Eernegem (1699), ommelooper van Ichtegem (1699), terrier van stad en schependom Torhout (1700), ommelooper van het ambacht en de heerlijkheid van het Houtse of Nieuwe te Loppem (1703), terrier van Koekelare (1710) en ommelooper van de parochie en heerlijkheid Lichtervelde (1714). Wellicht was hij ook verantwoordelijk voor de opmaak van een verloren gegane ommelooper van de watering van Blankenberge. Voor de opmeting van de parochie Eernegem ontvangt hij vijf groten Vlaams voor ieder opgemeten gemet. Bovendien wordt hem tien ofwel twaalf ponden groten voorschot gegeven tot betaelen synen cnecht ten tyden vant doen vande selve maete. RM treedt ook vaak op als gezworen prijzer van het Brugse Vrije. Hij werkt daarbij meermaals samen met Daniel Feys.

In 1722-1724 is RM ook schepen van de stad Torhout. RM sterft in zijn woonplaats op 24 april 1727, 65 jaar oud, en wordt er drie dagen later begraven. Zijn echtgenote was hem op 22 augustus 1720 op 58-jarige leeftijd voorgegaan in het graf. Omdat hij geen levende zoon nalaat, kan RM zijn landmetersberoep niet aan een rechtstreekse nakomeling doorgeven. Opvallend is dan ook dat zijn schoonzoon Philips Drubbele (Aartrijke 1700 – Torhout 1745) als landmeter werkt.

(Bron: W. Devoldere, De Torhoutse landmeter Roeland Meyaert (1661-1727) en zijn familie, in: Jaarboek 2001 van de Geschied- en Heemkundige Kring Houtland Torhout, p.4-57).