Blog

Casus: het landboek van Pittem (1666)

Op 12 december 1664 tekende de broers Albert en Joseph een contract voor de opmaak van een landboek met de baljuw, burgemeester en schepenen van de parochie Pittem. De Raad van Vlaanderen had het magistraat van het dorp namelijk bevolen de parochie te laten opmeten. Volgens het contract kregen beide landmeters drie stuivers per gemet betaald. Het landboek werd ruim één jaar later, in januari 1966, afgeleverd. Van dit landboek, dat volgens een procesdocument 1.338 artikelen op folio geschreven bevatte en een kaft met witte hoorn kreeg, werd enkel de kladversie van de kaarten bewaard. Ze hebben de niet geringe omvang van 112 op 123 en 124 op 145cm.

Op 30 juli 1666 daagden de beide landmeters en hun ketendraegher Adriaen Plancke de burgemeester en schepenen van Pittem voor de Raad van Vlaanderen. Ze eisten de betaling van respectievelijk vijftien en twaalf stuiver per uur in plaats van het overeengekomen bedrag in het contract van 1664. Ze wezen daarbij op de moeilijkheid van de opdracht en de voortdurende tegenwerking waarmee ze te maken kregen. Het opgelegde verblijf in een lokale herberg – waar ze bovendien regelmatig dronken werden gevoerd – zorgde voor onvoorziene uitgaven, ze hadden onbekwame helpers gekregen die de op te meten percelen niet wisten liggen en sommigen notabelen gaven hen bewust verkeerde informatie. Het magistraat verdedigde zich door te wijzen op de vergoeding van drie stuiver per gemet die ze voor een opmeting in Oostkamp hadden betaald gekregen. De parochie Aarsele Pieter de Suttere, landmeter uit de Oudburg, bij een opmeting ook maar twaalf groten per bunder betaald hebben. Ze ontkende ook elke beschuldiging van tegenwerking, maar werden uiteindelijk in het ongelijk gesteld. Het magistraat diende beide landmeters twee schellingen groter per uur te betalen, voor Albert de Bersacques 1.212 werkuren en voor Joseph de Bersacques 1.092 werkuren (in moderne werkdagen van acht uur, respectievelijk 151,5 en 136,5 werkdag). Albert kreeg daarboven nog 70 werkdagen aan tien schellingen groten per dag te betalen. De derde eiser, de drager van de roedeketen, kreeg voor 110 werkdagen 3 schellingen 4 groten per dag uitgekeerd.

Dankzij dit proces en de ingebrachte bewijsstukken kan de totstandkoming van het Pittemse landboek gereconstrueerd worden. Op 8 december 1664 kwam Albert de Bersacques op vraag van de baljuw en schepenen van zijn woonplaats Kortrijk naar Pittem om het contract voor de opmeting op te stellen. Vier dagen later keerde hij terug om samen met zijn broer het contract te tekenen in het gezelschap van schepen Jan de Maeght. Dat de Pittemse magistraat bij de broer de Bersacques’ was terecht gekomen is niet vreemd. Beide zijn broers van Lowys de Bersacques (de jongere) (Kortrijk 1625 – Kortrijk 1695), deken van het kapittel van de OLV-kerk, en erfachtig gezworen landmeter in opvolging van zijn vader Lowys de Bersacques (de oudere) (Kortrijk 1586 – Kortrijk 1646). Hijzelf werkte niet als landmeter, maar besteedde al zijn opdrachten uit aan zijn broers Albert (de oudere) (Kortrijk 1632 – Kortrijk 1718) en Joseph (Kortrijk 1636 – Kortrijk 1708). De broers begonnen met het opmeten in februari 1665. Zowel op de 10de als de 11de waren ze van acht uur ’s morgens tot tien uur ’s avonds aan het werk (waarbij moet opgemerkt dat hun rekening liep vanaf hun vertrek tot hun aankomst te Kortrijk). Ook op de 12de gingen ze om acht uur aan de slag, maar keerden wegens de grote vorst na drie uur naar Kortrijk terug. Ze waren pas een maand later terug te Pittem en werkten er van 10 tot 16 maart. Ook tussen 25 maart en 3 april verrichtten ze opmetingen ter plaatse. In deze periode werkten ze herhaaldelijk vanaf vijf, zes of zeven uur ’s morgens tot tien of elf uur ’s avonds. Zelf de zondagsrust was niet veilig, al beperkten ze hun werk tot een viertal uur. Dit betekent wel dat beiden in 9 dagen 119 uur werkten of een gemiddelde van 13 uur en een kwart per dag. Op vier april waren ze beide terug te Kortrijk, waar Albert nog dezelfde avond zes uur zal besoignieren int calculeren en andersins. Pas op 14 april vertrok Albert terug naar Pittem. Zijn broer kwam hem tegen vijf uur ’s namiddags achterna. Ze bleven dit keer tot de 18de, waarop ze om vier uur ’s morgens met hun opmetingen begonnen om in de namiddag huiswaarts te keren. Vanaf 22 april was Albert opnieuw te Pittem (vanaf de 24ste samen met zijn broer). Bij hun vertrek op 30 april is hetzelfde patroon zichtbaar als op de laatste dag van hun vorig verblijf: ’s morgens om vier uur beginnen om kort na de namiddag naar Kortrijk af te reizen. Nieuwe periodes van opmetingen waren 5 tot 12 mei en 19 tot 23 mei. Tussendoor deed Albert thuis opnieuw de nodige berekeningen (2 mei). Dit rekenwerk deed hij steeds alleen. In juni en juli werd geen terreinwerk gedaan. De zomermaanden vormde gewoonlijk een rustperiode voor de landmeter. Pas op 8 augustus keerden de broers terug naar Pittem, zij het slechts voor één dag. Ook op 6 en 7 en 13, 14 en 15 september werden opmetingen verricht (in dit laatste geval door Albert alleen). Toch werd de draad pas echt terug opgepikt vanaf 6 oktober (tot 16 oktober). Albert en Joseph bevonden zich opnieuw in Pittem van 3 tot 12 en 15 tot 22 november en van 3 tot 17 december. In deze najaarsmaanden werkten ze gewoonlijk van zes of zeven uur ’s morgens tot acht of negen uur ’s avonds. Op 27 en 28 januari 1665 voerden ze een aantal hermetingen uit (o.m. van de breedmeersch). De werkzaamheden op het terrein werden minstens twee keer afgebroken wegens de slechte weersomstandigheden (vorst op 12 februari 1664 en regen op 2 mei 1664). Het is ongetwijfeld geen toeval dat Albert de Bersacques nauwgezet de weersomstandigheden noteerde in een poging deze te kunnen voorspellen.

Na de opsomming van de terreinwerkzaamheden werd in het procesdossier enkel nog geduid op de voorlegging van de minuut van het landboek. Wellicht stond enkel Albert voor de redactie ervan in. Voor dit werk kregen de landmeters echter niks afzonderlijk vergoed. Er werd enkel geld gevraagd voor een lading papier die vanuit gent moest komen en voor de betaling van een schrijver, die vijf dagen nodig heeft voor het in het net stellen van de tekst. Tenslotte had ook Adriaen Plancke, de Kortrijkse dienaar van de landmeters, een afzonderlijke rekening opgesteld, waaruit blijkt dat hij bij elke opmeting aanwezig was. Hij is de enige die volledig in werkdagen werd uitbetaald, terwijl Joseph enkel in uren en Albert in beide werd vergoed. Nergens wordt aangegeven hoe lang een dag duurde en waarom dit onderscheid werd gemaakt. De verklaringen over de werkwijze en -tijd van de landmeting gebeurde dan ook op erewoord.

Advertenties

Biografie: landmeter Roeland Meyaert (1661-1727)

Roeland Meyaert jr (RM) werd op 11 september 1661 gedoopt te Zedelgem. Hij was het oudste kind van landbouwer-landmeter Roeland Meyaert sr (1636-1690) en Joanna Allaert (-1705). Op 25 september 1668 huwt in de Brugse Sint-Salvatorskerk met Catharina Lievens, dochter van een gewezen burgemeester van de heerlijkheid Beveren-Roeselare en te Torhout geboren op 4 januari 1662. Ze zullen samen twee zonen en vier dochters krijgen, waaronder één tweeling: Joannes (Brugge 1689 – onbekend), Leonard (Brugge 1691 – Jabbeke 1692), Dorothea (Jabbeke 1694 – onbekend), Paschasia (Jabbeke 1695 – Torhout 1723), Anna Therese (Jabbeke 1695 – 1755) en Mary Catheryne (Torhout 1698 – onbekend). Na zich aanvankelijk in Brugge te hebben gevestigd, verhuist het jonge echtpaar tussen 10 oktober 1691 en 4 juni 1692 naar Jabbeke en tussen 3 april 1695 en 5 mei 1698 naar Torhout. In 1699 pacht RM er een hoeve van Jan de Keyser uit Sint-Kruis.

RM was intussen al ingezworen als landmeter van het Brugse Vrije. Hij zal in die hoedanigheid een tiental ommelopers en landboeken (terriers) vervaardigen: ommelooper van het ambacht en de prochie van Jabbeke (1689), nieuwe ommelooper van vrye, proos en guyslanden (1692), terrier van Aartrijke (1696), ommeloper van Bekegem en watering Ghestele (1698), ommelooper van Eernegem (1699), ommelooper van Ichtegem (1699), terrier van stad en schependom Torhout (1700), ommelooper van het ambacht en de heerlijkheid van het Houtse of Nieuwe te Loppem (1703), terrier van Koekelare (1710) en ommelooper van de parochie en heerlijkheid Lichtervelde (1714). Wellicht was hij ook verantwoordelijk voor de opmaak van een verloren gegane ommelooper van de watering van Blankenberge. Voor de opmeting van de parochie Eernegem ontvangt hij vijf groten Vlaams voor ieder opgemeten gemet. Bovendien wordt hem tien ofwel twaalf ponden groten voorschot gegeven tot betaelen synen cnecht ten tyden vant doen vande selve maete. RM treedt ook vaak op als gezworen prijzer van het Brugse Vrije. Hij werkt daarbij meermaals samen met Daniel Feys.

In 1722-1724 is RM ook schepen van de stad Torhout. RM sterft in zijn woonplaats op 24 april 1727, 65 jaar oud, en wordt er drie dagen later begraven. Zijn echtgenote was hem op 22 augustus 1720 op 58-jarige leeftijd voorgegaan in het graf. Omdat hij geen levende zoon nalaat, kan RM zijn landmetersberoep niet aan een rechtstreekse nakomeling doorgeven. Opvallend is dan ook dat zijn schoonzoon Philips Drubbele (Aartrijke 1700 – Torhout 1745) als landmeter werkt.

(Bron: W. Devoldere, De Torhoutse landmeter Roeland Meyaert (1661-1727) en zijn familie, in: Jaarboek 2001 van de Geschied- en Heemkundige Kring Houtland Torhout, p.4-57).